Scripties UMCG - Rijksuniversiteit Groningen
 
English | Nederlands

Liver transplantation for cirrhosis secondary to non-alcoholic steatohepatitis is not performed at the expense of major postoperative morbidity

(2016) Douwes, R. (Rianne)

Background: Non-alcoholic steatohepatitis (NASH) is an emerging indication for liver transplantation due to the obesity pandemic. NASH frequently coexists with multiple comorbidities such as type 2 diabetes mellitus (T2DM), cardiovascular disease and the metabolic syndrome(MetS). Recent studies have shown that long-term patient and graft survival of patients transplanted for NASH cirrhosis are comparable to other indications. However, limited data exists about the short-term (procedure- related) complications after transplantation. Therefore, our aim was to investigate whether these patients are at an increased risk of short-term complications following transplantation.
Methods: This is a single centre retrospective cohort study including all adult patients (≥18 years) who underwent liver transplantation between January 2009 and December 2015 (N=224). Exclusion criteria were liver transplantation for acute hepatic failure or non-cirrhotic liver disease. Patients were censored at time of re-transplantation (n=17). Post-operative complications within 90 days were classified according to the Clavien-Dindo classification of surgical complications. NASH was defined by either: 1) histologic evidence of NASH on biopsy or explant; 2) imaging showing hepatic steatosis; 3) a phenotypic diagnosis consisting of BMI ≥ 30 kg/m2 and presence of T2DM (by either HbA1c ≥ 47 mmol/L or glucose lowering medication use) or the presence of at least 3 out of 5 diagnostic criteria for MetS as defined by the NCEP Adult Treatment Panel (ATP III). A p<0.05 was considered significant.
Results: Out of 169 eligible patients, 34 patients (20.1%) were transplanted for NASH cirrhosis. Patients with NASH cirrhosis were significantly older (59.2 vs. 54.8 years, p=0.011), more often obese (BMI≥30 kg/m2) (61.8% vs. 8.1%, p<0.001), had more T2DM (73.5% vs. 20.0%, p<0.001) and were more likely to meet criteria for MetS (83.3% vs. 37.8%, p<0.001). In univariate analysis, this group suffered from more grade I complications (p=0.016) and more grade II urogenital infections (47.1% vs. 20.0%, p=0.001). Major complications as well as 90-day graft survival in both groups was similar.
Conclusion: In patients transplanted for NASH cirrhosis postoperative major morbidity and mortality rates were comparable with patients transplanted for other indications, despite increased (minor) grade I postoperative complications.





ID 3361
Moeder ID 3084
Volgorde Douwes, R.
Naam DouwesR
Publiceren yes
OAI-naam Student_thesis
Path root/geneeskunde/2016/DouwesR/
Gemaakt op: 2017-03-08 13:27:30
Gemodificeerd op: 2017-03-08 13:27:30
Digitaal ID 58c006c2650d4
Afstudeerrichting opleiding/afstudeerrichting 1
Studierichting Studierichting 1
Titel Liver transplantation for cirrhosis secondary to non-alcoholic steatohepatitis is not performed at the expense of major postoperative morbidity
Ruilverkeer mogelijk no
Printen in opdracht no
Aantal pagina's 38
Publicatiejaar 2016
Taal en
Engelse samenvatting Background: Non-alcoholic steatohepatitis (NASH) is an emerging indication for liver transplantation due to the obesity pandemic. NASH frequently coexists with multiple comorbidities such as type 2 diabetes mellitus (T2DM), cardiovascular disease and the metabolic syndrome(MetS). Recent studies have shown that long-term patient and graft survival of patients transplanted for NASH cirrhosis are comparable to other indications. However, limited data exists about the short-term (procedure- related) complications after transplantation. Therefore, our aim was to investigate whether these patients are at an increased risk of short-term complications following transplantation.
Methods: This is a single centre retrospective cohort study including all adult patients (≥18 years) who underwent liver transplantation between January 2009 and December 2015 (N=224). Exclusion criteria were liver transplantation for acute hepatic failure or non-cirrhotic liver disease. Patients were censored at time of re-transplantation (n=17). Post-operative complications within 90 days were classified according to the Clavien-Dindo classification of surgical complications. NASH was defined by either: 1) histologic evidence of NASH on biopsy or explant; 2) imaging showing hepatic steatosis; 3) a phenotypic diagnosis consisting of BMI ≥ 30 kg/m2 and presence of T2DM (by either HbA1c ≥ 47 mmol/L or glucose lowering medication use) or the presence of at least 3 out of 5 diagnostic criteria for MetS as defined by the NCEP Adult Treatment Panel (ATP III). A p<0.05 was considered significant.
Results: Out of 169 eligible patients, 34 patients (20.1%) were transplanted for NASH cirrhosis. Patients with NASH cirrhosis were significantly older (59.2 vs. 54.8 years, p=0.011), more often obese (BMI≥30 kg/m2) (61.8% vs. 8.1%, p<0.001), had more T2DM (73.5% vs. 20.0%, p<0.001) and were more likely to meet criteria for MetS (83.3% vs. 37.8%, p<0.001). In univariate analysis, this group suffered from more grade I complications (p=0.016) and more grade II urogenital infections (47.1% vs. 20.0%, p=0.001). Major complications as well as 90-day graft survival in both groups was similar.
Conclusion: In patients transplanted for NASH cirrhosis postoperative major morbidity and mortality rates were comparable with patients transplanted for other indications, despite increased (minor) grade I postoperative complications.
Nederlandse samenvatting Achtergrond: Door de wereldwijde obesitas epidemie groeit Non-Alcoholische Steatohepatitis (NASH) als indicatie voor levertransplantatie. NASH komt vaak voor in combinatie met comorbiditeiten zoals type 2 diabetes mellitus, cardiovasculaire aandoeningen en het metabool syndroom. Recente studies hebben aangetoond dat de lange termijn overleving van patiënten getransplanteerd voor NASH cirrose vergelijkbaar is met patiënten die getransplanteerd zijn voor een andere indicaties. Vergelijkbare resultaten zijn gevonden voor de overleving van het transplantaat. Er is echter nog maar weinig bekend over de korte termijn (procedure afhankelijke) complicaties na transplantatie. Het doel van deze studie is daarom te onderzoeken of deze patiëntengroep een verhoogd risico heeft op het ontwikkelen van korte termijn complicaties na levertransplantatie.
Methode: In dit retrospectieve cohort onderzoek werden alle volwassen patiënten (≥18 jaar), die een levertransplantatie ondergingen in het UMCG tussen januari 2009 en december 2015, geïncludeerd (N=224). Exclusie criteria waren een levertransplantatie voor acuut leverfalen of levertransplantatie voor ziekten die geen levercirrose veroorzaken. Patiënten die binnen de follow-up periode van 90 dagen een re-transplantatie ondergingen werden vanaf dat moment gecensureerd. Postoperatieve complicaties binnen 90 dagen werden geregistreerd en geclassificeerd volgens de Clavien-Dindo classification of surgical complications. De diagnose NASH werd gedefinieerd op basis van de volgende criteria: 1) histologisch bewijs voor NASH in een leverbiopt voor transplantatie of in het explantaat; 2) beeldvorming met bewijs voor steatose van de lever; 3) een fenotypische diagnose voor NASH bestaande uit een BMI≥ 30 kg/m2 met daarnaast type 2 diabetes mellitus (HbA1c ≥ 47 mmol/L of gebruik van glucose verlagende medicatie) of de aanwezigheid van tenminste 3 van de 5 diagnostische criteria voor het metabool syndroom van het NCEP Adult Treatment Panel (ATPII). Een p<0.05 werd als significant beschouwd.
Resultaten: Van de 169 geïncludeerde patiënten werden 34 patiënten (20.1%) getransplanteerd voor NASH cirrose. Patiënten in het NASH cohort waren significant ouder (59.2 vs. 54.8 jaar, p=0.011), vaker obees (BMI≥30 kg/m2) (61.8% vs. 8.1%, p<0.001), hadden vaker type 2 diabetes mellitus (73.5% vs. 20.0%, p<0.001) en voldeden bovendien vaker aan de criteria voor het metabool syndroom (83.3% vs. 37.8%, p<0.001). Univariate analyse toonde aan dat bij patiënten met NASH vaker graad I complicaties optreden na levertransplantatie (p=0.016). Bovendien is deze patiëntengroep gevoeliger voor het doormaken van graad II urogenitale infecties (47.1% vs. 20.0%, p=0.001). Het optreden van ernstige complicaties (graad IIIb tot graad V) en de 90-dagen survival van het explantaat was gelijk in beide groepen.
Conclusie: Bij patiënten getransplanteerd voor NASH cirrose is de postoperatieve morbiditeit als mortaliteit vergelijkbaar met patiënten die getransplanteerd zijn voor andere indicaties, ondanks een verhoogd voorkomen van (milde) graad I postoperatieve complicaties.
Onderwijsinstelling Medical Sciences
Type embargo abstract openbaar, scriptie op aanvraag
Auteur(s) Douwes, R. (Rianne)
UMCG begeleider(s) Supervisor:; Blokzijl, Dr. J.; Co-supervisors:; Berg, Dr. E.H. van den; Schreuder, Dr. T.C.M.A; Meijer,Dr. V.E. de; Department of Gastroenterology and Hepatology, University of
Auteur(s) Douwes, R. (Rianne)
UMCG begeleider(s) Supervisor:; Blokzijl, Dr. J.; Co-supervisors:; Berg, Dr. E.H. van den; Schreuder, Dr. T.C.M.A; Meijer,Dr. V.E. de; Department of Gastroenterology and Hepatology, University of


 
To top